Europa en China: tijd om de feiten te laten spreken
Vandaag en morgen, op 8 en 9 oktober, trekt Europees Commissaris voor Handel Maroš Šefčovič naar Beijing voor gesprekken met de Chinese minister van Handel Wang Wentao. Het mag niet de zoveelste ontmoeting worden waarop beide partijen de reeds bekende standpunten herhalen en vervolgens nieuwe werkgroepen oprichten. De voorbije maanden is er genoeg gepraat, nu moeten concrete resultaten volgen.
Europa en China kunnen economisch niet om elkaar heen. Maar de voorbije jaren is onze handelsrelatie steeds verder uit balans geraakt. Europa boekt weliswaar een bescheiden overschot in de handel in diensten, maar het tekort in de goederenhandel loopt verder op. Vorig jaar voerde de Europese Unie voor 559,4 miljard euro aan Chinese goederen in, terwijl slechts voor 199,6 miljard euro aan Europese goederen naar China werd uitgevoerd. Daardoor liep ons tekort op tot bijna 360 miljard euro, of bijna één miljard euro per dag. Ook dit jaar neemt de druk verder toe. Alleen al in het tweede kwartaal van 2026 bedroeg het Europese tekort in de goederenhandel met China 103 miljard euro, het hoogste kwartaalcijfer sinds 2022.
Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Een handelstekort is niet noodzakelijk een bewijs van oneerlijke handel. Het wordt dat wel wanneer het samengaat met een bewust beleid van oneerlijke concurrentie, massale staatssubsidies, structurele overcapaciteit, ongelijke markttoegang en exportbeperkingen. En net die combinatie kenmerkt het Chinese economische model. Europese producenten van staal, auto’s, batterijen, chemische producten en machines voelen daar elke dag de gevolgen van. Belangrijke investeringen worden uitgesteld, in getroffen sectoren daalt de Europese productie en industriële jobs komen onder druk te staan. Het agressieve Chinese model dreigt zo de Europese industrie de nek om te wringen.
Net daarom is het bezoek van vandaag en morgen zo belangrijk. Europa en China staan op een kantelpunt in hun relatie. Iedereen beseft dat we niet op dezelfde weg kunnen doorgaan. Ofwel vinden we een gemeenschappelijke basis om onze handelsrelatie opnieuw op een eerlijke leest te schoeien, ofwel zullen de spanningen onvermijdelijk verder oplopen. Na maanden van overleg moet Beijing nu tonen of het bereid is daarover concrete afspraken te maken.
Genoeg gepraat
In juni vond de eerste bijeenkomst plaats van het nieuwe overleg tussen de Europese Unie en China over handel en investeringen. Beide partijen spraken af om hun handelsstromen voortaan op basis van gezamenlijke cijfers te volgen. Dat moet ons toestaan om plotse stijgingen of andere problemen sneller vast te stellen en ervoor te zorgen dat die zaken ook meteen politiek worden besproken. Daarnaast werd verder overleg afgesproken over exportcontroles, intellectuele eigendom en de hervorming van de Wereldhandelsorganisatie. Dat is een belangrijke stap, maar het heeft enkel waarde als het ook daadwerkelijk tot iets leidt.
In de Chinese politiek bestaat een bekende uitdrukking: 实事求是. Dat betekent zoveel als ‘zoek de waarheid in de feiten’. Kijk naar de werkelijkheid zoals ze is, stel de feiten vast en handel ernaar. Laat veronderstellingen en wensdenken niet in de plaats komen van de werkelijkheid. Dat lijkt me een uitstekend uitgangspunt voor de gesprekken in Beijing. De dialoog moet daarom worden geënt op duidelijke doelstellingen en heldere vragen. Wordt de handelsrelatie evenwichtiger? Krijgen Europese bedrijven werkelijk betere toegang tot de Chinese markt? Worden de Chinese exportbeperkingen voorspelbaarder? En is Beijing bereid zijn industriële overcapaciteit aan te pakken, in plaats van een steeds groter deel ervan naar de Europese markt uit te voeren? Op elk van die punten moet niet alleen in woorden, maar ook in de praktijk vooruitgang worden geboekt. Anders rijden we ons vast in een bilateraal overleg waarin boven tafel mooie woorden klinken, terwijl onder tafel de steken worden uitgedeeld.
Eerste test
Maar we moeten ook realistisch blijven. Een allesomvattend akkoord na twee dagen onderhandelen is niet haalbaar en wellicht zelfs niet wenselijk. Daarvoor zijn de belangen te groot en de meningsverschillen te fundamenteel. Als Šefčovič terugkeert met een geloofwaardige proof of concept - een eerste concrete afspraak waarmee Beijing toont dat het structurele problemen daadwerkelijk wil aanpakken - dan is de missie geslaagd.
Daarvoor wordt vooral gekeken naar één specifieke sector: plug-inhybrides. Sinds oktober 2024 gelden Europese antisubsidieheffingen op elektrische wagens uit China. Die heffingen kwamen er nadat de Commissie had vastgesteld dat Chinese producenten dankzij zware staatssteun hun auto’s tegen kunstmatig lage prijzen op de Europese markt konden verkopen. Plug-inhybrides vallen echter niet onder die maatregelen. Sindsdien is de Chinese uitvoer van dat type wagens naar Europa sterk toegenomen.
Volgens berichtgeving vraagt Europa China daarom om die uitvoer vrijwillig te beperken. Als daarover geen akkoord wordt bereikt en de invoer de Europese industrie ernstige schade dreigt toe te brengen, kunnen vrijwaringsmaatregelen zoals quota worden overwogen. Een afdwingbare afspraak over hybridewagens wordt zo een eerste test voor de toekomstige handelsrelatie tussen China en de EU. Als die aanpak werkt, kan hij later ook worden toegepast op andere sectoren die met Chinese overcapaciteit kampen, zoals chemie en kunststoffen. Daarmee zijn uiteraard niet alle industriële problemen opgelost. Maar het zou wel een goed begin zijn en vertrouwen kunnen scheppen, op voorwaarde dat Beijing concrete afspraken maakt en ze ook naleeft.
Kritieke afhankelijkheid
Maar China kent zijn sterke positie en gebruikt die ook aan de onderhandelingstafel. Daarom staan de Chinese exportcontroles op zeldzame aardmetalen en andere kritieke grondstoffen hoog op de agenda. Die materialen zijn onmisbaar voor auto’s, batterijen, elektronica, energietechnologie en defensie. China controleert niet alleen een groot deel van de ontginning, maar domineert vooral de verwerking. De Europese Unie haalt al haar zware zeldzame aardmetalen, 85 procent van haar lichte zeldzame aardmetalen en bijna al haar permanente magneten op basis van zeldzame aardmetalen uit China.
Die afhankelijkheid maakt ons bijzonder kwetsbaar. De controles die China in 2025 invoerde, werken via vergunningen en gerichte beperkingen. Het gaat dus niet om een volledig uitvoerverbod, maar de procedures veroorzaken wel vertragingen en onzekerheid. Een deel van de bijkomende beperkingen werd nadien tijdelijk opgeschort, maar niet definitief ingetrokken. De exportcontroles blijven daardoor als een zwaard van Damocles boven onze industrie hangen. Die dominantie geeft Beijing de mogelijkheid om de economische en politieke druk op andere landen snel op te voeren. China weet immers dat we voor veel van die grondstoffen op korte termijn nauwelijks alternatieven hebben.
Europa heeft duidelijke en afdwingbare afspraken nodig over de toegang tot die grondstoffen. We kunnen niet blijven aanvaarden dat China zijn dominante positie gebruikt om Europese bedrijven en regeringen economisch onder druk te zetten. Een stabiele en voorspelbare levering, met transparante vergunningsprocedures, moet daarom deel uitmaken van het akkoord en van de verdere politieke dialoog.
Tegelijk moeten we zelf aan de slag. De kritieke afhankelijkheid van China moet dringend worden afgebouwd. Daarvoor moeten we veel meer investeren in eigen verwerking en recyclage. Dat moet gebeuren in nauwe samenwerking met partners als Japan, Canada en Australië, die zelf al langer met Chinese druk worden geconfronteerd. Met hen moeten we afspraken maken over grondstoffen, verwerking en technologie, en werken aan gezamenlijke strategische voorraden.
We willen en kunnen niet volledig loskoppelen van China. Maar we moeten onze eenzijdige afhankelijkheid wel verminderen. Daarom hebben we beide sporen nodig: duidelijke afspraken maken met Beijing én tegelijk onze bevoorrading diversifiëren, eigen capaciteit uitbouwen en veel meer grondstoffen recycleren.
Sterkte markt
Maar we zitten allerminst met lege handen aan de onderhandelingstafel. Het beeld van Europa als een machteloos, gewond vogeltje dat de Chinese dominantie alleen maar kan ondergaan, klopt gewoon niet. Met ongeveer 450 miljoen consumenten is de Europese Unie een van de grootste en aantrekkelijkste markten ter wereld. Onze belangrijkste economische macht hebben we dus zelf in handen, namelijk onze interne markt.
Net zoals Europa afhankelijk is van China voor grondstoffen, heeft China toegang tot de Europese markt nodig. De Chinese binnenlandse consumptie blijft zwak, onder meer door de vastgoedcrisis en het lage consumentenvertrouwen. Daardoor steunt de Chinese economie steeds sterker op industriële productie en uitvoer.
In 2025 kwam bijna een derde van de Chinese economische groei uit de netto-uitvoer. Dat is geen duurzaam model. Het Internationaal Monetair Fonds waarschuwde China al dat het zijn groei niet kan blijven aanjagen door steeds meer producten uit te voeren. Op termijn zal de Chinese economie sterker op de binnenlandse consumptie moeten steunen. Maar zolang die omslag niet is gemaakt, blijft China afhankelijk van grote buitenlandse afzetmarkten. Zeker nu de toegang tot de Verenigde Staten moeilijker is geworden, is de Europese markt nog belangrijker voor Chinese producenten. Dat geeft Europa wel degelijk een stevige onderhandelingspositie.
Verdeel en heers
De vraag is alleen of we bereid zijn die onderhandelingspositie ook uit te spelen. Daar ligt meteen onze grootste zwakte. Europa blijft te vaak een optelsom van nationale belangen. De lidstaten zijn sterk verdeeld over hoe ze met China moeten omgaan. Sommige landen zijn afhankelijk van Chinese invoer en investeringen, andere exporteren veel naar China. Nog andere voelen vooral de gevolgen van de Chinese overcapaciteit voor hun eigen industrie. Zolang die verschillende belangen niet in één Europese strategie worden samengebracht, verzwakken we onze eigen positie.
China kent die verschillen en weet precies welke landen en sectoren het met tegenmaatregelen kan treffen. Toen Europa optrad tegen Chinese elektrische wagens, reageerde Beijing met onderzoeken naar Europees varkensvlees en Europese zuivelproducten. Daarmee viseert China heel bewust sectoren die belangrijk zijn voor invloedrijke lidstaten en waar het snel politieke druk kan creëren.
Als we ons tegen die verdeel-en-heersstrategie willen wapenen, hebben we niet alleen een gezamenlijke Europese koers tegenover China nodig. De lidstaten moeten elkaar ook steunen wanneer één land of sector door Beijing onder druk wordt gezet. Daarom pleit ik al geruime tijd voor een Europees solidariteitsmechanisme voor lidstaten, bedrijven en werknemers die het doelwit worden van economische dwang of politieke vergelding, ongeacht of die uit China of de Verenigde Staten komt. Die steun kan financieel zijn, maar moet getroffen sectoren ook helpen om andere leveranciers en nieuwe afzetmarkten te vinden. Alleen zo voorkomen we dat derde landen de economische kwetsbaarheid van één lidstaat gebruiken om heel Europa te verdelen.
Met het Anti-Coercion Instrument beschikt de Europese Unie sinds 2023 over een middel om te reageren wanneer een derde land handel of investeringen inzet om Europese politieke beslissingen te beïnvloeden. Het instrument moet economische dwang afschrikken en Europa in staat stellen daar, indien nodig, fors op te antwoorden. Alleen moeten we vaststellen dat de Unie, ondanks de aanhoudende economische en politieke druk vanuit zowel China als de Verenigde Staten, er tot vandaag niet in is geslaagd het instrument daadwerkelijk te activeren. Dat zorgt ervoor dat ‘de bazooka’ vooralsnog een papieren tijger blijft.
Zelfs wanneer het instrument wordt ingezet, neemt het de schade niet automatisch weg voor bedrijven, werknemers en sectoren die door tegenmaatregelen worden getroffen. Ook daarover moeten we vooraf afspraken maken. Anders blijven afzonderlijke lidstaten kwetsbaar en kunnen Beijing en Washington hen tegen elkaar uitspelen.
Te traag
Daarnaast beschikt Europa over een brede waaier aan stevige handelsbeschermingsinstrumenten. Maar daar botsen we op onze tweede zwakte: traagheid. De procedures nemen vaak veel tijd in beslag. Dat antidumping- en antisubsidieonderzoeken zorgvuldig verlopen en op bewijs steunen, is noodzakelijk voor onze geloofwaardigheid en voor de op regels gebaseerde handel. Maar onze aanpak blijft sterk gericht op afzonderlijke producten. Wanneer Chinese subsidies en overcapaciteit een volledige sector of waardeketen treffen, heeft het weinig zin om telkens opnieuw product per product een onderzoek te openen. Tegen de tijd dat Europa optreedt, hebben Europese bedrijven vaak al een belangrijk deel van hun marktaandeel, investeringen en productiecapaciteit verloren.
Elke inspanning om die procedures te versnellen en onze handelsinstrumenten doeltreffender te maken, is daarom een stap in de goede richting. Eerder deze week raakte een Frans-Duitse non-paper bekend met voorstellen om dat te doen. Zo stellen Frankrijk en Duitsland voor dat de Commissie vaker op eigen initiatief onderzoeken opent, zonder te wachten op een klacht van een bedrijf of lidstaat. Ze vragen ook om meer personeel en expertise, sterkere monitoring van volledige sectoren en waardeketens, en een nieuw instrument waarmee de toegang tot de interne markt bij ernstige en aanhoudende marktverstoring kan worden beperkt. Zodra voldoende bewijs op tafel ligt, zouden bovendien sneller voorlopige maatregelen moeten kunnen volgen.
De richting is juist. Maar waarvoor, hoe en wanneer? Daar knelt het schoentje. Nieuwe instrumenten hebben alleen zin als Europa ze ook durft te gebruiken. We moeten duidelijk vastleggen wie verantwoordelijk is voor de handhaving, wanneer een onderzoek wordt geopend en welke maatregelen volgen wanneer de regels worden geschonden. Anders dreigen ook deze instrumenten vooral op papier te bestaan. Onze gereedschapskist is al bijzonder uitgebreid. Het probleem is dat we vaak te lang aarzelen om ze open te doen.
Industrieel beleid
We zullen ons handelsbeschermingsinstrumentarium dus moeten uitbreiden, versterken en vooral sneller inzetbaar maken. Maar handelsbescherming alleen volstaat niet. De grootste werf ligt op onze eigen tafel: het versterken van onze industriële basis en het herstellen van de Europese concurrentiekracht. Europa moet zijn industrie opnieuw een toekomstperspectief bieden.
Net daarom werken we vandaag aan de Industrial Accelerator Act. Die wet moet publieke steun en overheidsopdrachten gerichter inzetten om Europese productie, innovatie en kwaliteitsvolle jobs te versterken. Wie wil meedingen naar Europees belastinggeld, publieke steun of overheidsopdrachten, moet ook bijdragen aan onze productiecapaciteit, economische veiligheid en werkgelegenheid.
Dat betekent niet dat Europa zijn markt afsluit. Betrouwbare partners blijven welkom wanneer zij Europese bedrijven vergelijkbare toegang tot hun markt bieden en onze sociale en milieunormen respecteren. Ook Chinese bedrijven kunnen dus deelnemen, maar niet zonder voorwaarden. Zij kunnen geen onbeperkte toegang krijgen tot Europese steun en overheidsopdrachten zolang Europese bedrijven in China botsen op ongelijke voorwaarden, gedwongen technologieoverdracht en gesloten markten.
Wat te verwachten?
En dat brengt me terug naar de gesprekken in Beijing. Het Chinese economische model, met massale staatssteun, structurele overcapaciteit en een grotendeels afgeschermde thuismarkt, bedreigt onze industrie, onze jobs en onze welvaart. Het is dus broodnodig om naar oplossingen te zoeken. Het liefst doen we dat samen met China en op basis van duidelijke afspraken. Maar Europa mag niet naïef zijn en moet ook voorbereid zijn als Beijing niet beweegt.
De gesprekken zijn voor mij geslaagd als ze drie zaken opleveren.
Ten eerste moeten er concrete en meetbare afspraken komen. Geen nieuwe werkgroepen zonder eindpunt, maar engagementen met een duidelijke timing en controle op de uitvoering. Voor hybridewagens kan dat betekenen dat China zijn uitvoer vrijwillig beperkt en voorkomt dat de Europese markt verder wordt overspoeld door zwaar gesubsidieerde voertuigen. Wanneer afspraken niet worden nageleefd, moet Europa kunnen bijsturen. Alleen zo kan een akkoord later als model dienen voor andere sectoren, zoals de chemie.
Ten tweede verwacht ik wederkerigheid. Chinese bedrijven hebben ruime toegang tot de Europese markt, investeringsmogelijkheden en overheidsopdrachten. Europese bedrijven moeten in China vergelijkbare kansen krijgen. Dat betekent minder barrières bij vergunningen en aanbestedingen, bescherming tegen gedwongen technologieoverdracht en eerlijke concurrentie met Chinese staatsbedrijven. Wederkerigheid betekent niet dat beide markten identiek moeten zijn. Wel dat Europese bedrijven niet systematisch worden benadeeld.
Ten derde hebben we voorspelbaarheid nodig. Europese bedrijven moeten weten of, wanneer en onder welke voorwaarden ze toegang krijgen tot kritieke grondstoffen. Vergunningsprocedures moeten transparant zijn, binnen een redelijke termijn worden afgerond en mogen niet willekeurig tegen bepaalde bedrijven of landen worden ingezet. Exportcontroles op zeldzame aardmetalen mogen geen politiek of economisch drukmiddel worden.
Als Beijing op die punten stappen zet, moet Europa dat erkennen en erop voortbouwen. Maar als er na maanden overleg opnieuw weinig verandert, moeten we daar ook naar handelen. We blijven kiezen voor samenwerking, maar niet langer tegen elke prijs. Laat daarom niet de slotverklaring, maar de concrete resultaten van deze gesprekken voor zich spreken.